Tien jaar gamescom

Tien jaar gamescom

Tijd voor een terugblik

Voor een tiende keer op rij vertrekken deze jongen, en een 9lives-delegatie, vandaag naar Keulen, de Duitse stad die jaarlijks het videogame-extravaganza gamescom herbergt. Tijd voor een terugblik op het afgelopen gamescom-decennium.

Het is niet meer dan twee uur rijden, maar toch: ieder jaar gooi ik m'n wagen eventjes aan de kant op de Raststätte van Frechen-Nord, op zo'n 17 kilometer van mijn eindbestemming, om nog eventjes een laatste keer adem te halen voor de rest van de week. De skyline van Keulen, een Duitse stad met ongeveer een miljoen inwoners, doemt vanop dit licht verhoogde plateau voor me uit als een luchtspiegeling uit staal en beton. Dit is de stad die de komende week weer compleet zal worden ge-owned door 350.000 gamers, enkele tienduizenden types uit de videogame-industrie, en sujets zoals mezelf: zij die zich ergens in het midden van die twee categorieën ophouden.

Ik landde er de eerste keer in 2009. gamescom was toen nog min of meer de verderzetting van een al enkele jaren eerder georganiseerde jaarlijkse videogameconventie in het veel dieper in het land liggende Leipzig, maar ging vanaf het eerste jaar al zijn eigen leventje leiden. Alleen al in 2009 maakten we er de aankondiging van Fable III mee, en stalen gamehuizen Sony PlayStation en Electronic Arts er de show met een weidse persconferentie. We vonden dat raar in 2009, want de videogamesector had net zijn eerste crisis achter de rug. Maar de kermis bleef ook de daaropvolgende jaren aanhouden, en ook Microsoft stak in Keulen geregeld een tandje bij met een enorme mediashow.

Geen E3

Het is natuurlijk de E3 niet: dat evenement bleef doorheen de jaren zichzelf herbevestigen als de enige échte hoogmis van de videogame-industrie, waar alle (of toch de meeste) grote gamehuizen hun aankondigingen deden. Maar ik heb het altijd erg raar gevonden wanneer vakbroeders smalend deden over gamescom. Het was maar twee maanden na de E3, maar gamehuizen hadden meestal wel hun best gedaan om gloednieuwe code uit hun games te tonen. Ook heb ik altijd gevonden dat nieuwe trends in de industrie zich veel duidelijker aftekenden op gamescom dan tussen alle E3-bombarie door.

Tijdens de tweede editie kregen we bijvoorbeeld voluit de Kinect- en PlayStation Move-bewegingscontrollers uit te proberen, nadat ze op de E3 van datzelfde jaar nog schoorvoetend aan het vakpubliek werden getoond. In 2011 zagen we de first person shooter eventjes doorbreken als mainstreamgenre, met titels als Call of Duty: Modern Warfare 3, Battlefield 3, Resistance 3, Rage én - ja, het was eerder een shooter-rpg, maar toch - Borderlands 2. In 2013 dook de Oculus Rift ineens op in een snel belegde meeting in een hotelkamer in de binnenstad, waarna snel de VR-hype in gang schoot. En in datzelfde jaar maakten we de start van de nieuwe console-oorlog - ondertussen met vlag en wimpel gewonnen door Sony's PlayStation 4 - mee. In 2015 zagen we de toys-to-life-rage tot wasdom komen (om ook weer snel te verdwijnen). Als je trends wilde spotten die zich maanden later zouden aftekenen in het winkelrek, vond je ze eerst op gamescom.

Paradigmashift

Een uitspraak van Sony's toenmalige Europese baas Jim Ryan, uit EA's gamescom-persconferentie van editie 2012, staat me vandaag nog altijd bij: "Het is een beproevende en interessante tijd voor de industrie, die een enorme paragdigmaverandering aan het doormaken is." Een paradigmaverandering. We dachten toen allemaal eerder aan een onverwachte wending in die console-historie, of aan de plotse opmars van Chinese spelers op de markt. Beide verwachtingen kwamen min of meer uit - het Chinese internetbedrijf Tencent, dat vandaag een belang heeft in een handvol westerse gamebedrijven, begon hier in Keulen voor het eerst met naam te worden genoemd tijdens gesprekken in hotelbars - maar de grote verandering voltrok zich uiteindelijk vooral binnen de gamebedrijven zelf.

Sinds 2013 merkten we al dat de consolefabrikanten meer en meer begonnen te investeren in videogames uit het indie-circuit, en die werden nog forser omarmd het jaar daarop. In 2014 kopte ik al in een nationale krant dat de videogame-industrie een "creatieve renaissance" beleefde, en vorig jaar werd het helemaal duidelijk: de videogame-industrie is aan de grootste transformatie uit zijn geschiedenis bezig, en we maakten het de afgelopen vijf jaar vanop de eerste rij mee op gamescom. Niet alleen aan de praat van de zakentypes uit de industrie, maar ook aan de ruimte die op de beursvloer van het pers- en businessgedeelte werd ingenomen: grootheden als EA en Activision hadden jaar na jaar minder ruimte nodig, nieuwe merken als Devolver Digital en andere indie-labels grepen vierkante meters in.

Wat niet betekende dat het einde nakend was voor de grote jongens: integendeel zelfs, want die halen doorgaans jaar na jaar meer omzet binnen. Het verschil was gewoon dat ze meer en meer geld uit de verdere online-exploitatie van hun bestaande games begonnen te verdienen, en dus minder nood hadden aan nieuwe hypecycli. Lees: minder nood aan exporuimte op events als gamescom. De 'paradigmashift' was een feit, alleen had ze zich op een lichtjes andere manier voltrokken.

Boven en onder

Dat veranderde de aard van mijn eigen aanwezigheid op de beursvloer ook. Tijdens de eerste jaren van gamescom bleef ik twee tot drie uur paal houden op de business-stand van alle grote gamehuizen, ondertussen profiterend van hun uitstekende catering, en ging ik daarna rustig door naar de volgende. Vandaag moet ik me haast bij iedere nieuwe afspraak, vaak zelfs twee keer per uur, verplaatsen.

Maar ik klaag vooralsnog niet. gamescom is en blijft geweldig. We kloppen dagen van tien uur, maar we krijgen ieder half uur weer wat mentale pep van het enthousiasme dat de gameontwikkelaars die we er spreken aan de dag blijven leggen. En het is niet dat we niet worden gepamperd. 's Avonds nodigen de gamehuizen ons uit voor prima verzorgde feestjes, en er werden doorheen de jaren eerlijke gesprekken gevoerd en zelfs kleine plannen bedisseld tijdens diners aan de Rijnoever of op de Heumarkt.

Ook overdag, op de beurs, zijn we gezegend omdat we op de verkoelde business-secties van de beurs kunnen rondlopen, ver van het ondertussen tot 350.000 koppen opgelopen bezoekersaantal dat in de veel te volle consumentenhallen rondloopt. Ik kwam daar de afgelopen jaren zelden, eerlijk gezegd; niet omdat ik me er te goed voor voel, wel omdat het er zo enorm vol loopt dat er toch weinig te zien is. Sommige gekken kopen een dagkaart om viér uur aan te schuiven zodat ze een glimp kunnen opvangen van hun nieuwe hypegame, zoals dit jaar wellicht Call of Duty: Black Ops IIII en Battlefield V. Goed zot, inderdaad.

In de weekends wordt het nog erger, en zet de festiviteit zich nog verder naar de stad met pop-up-evenementen en concerten, maar tegen dan ben ik weer weg. Op vrijdagnamiddag (de afgelopen twee jaar, na het vervroegen van de persdag naar dinsdag, zelfs op donderdagnamiddag al) zoef ik weer huiswaarts. Om halfweg steevast opniéuw eventjes te stoppen: de autosnelwegparking Aachener Land, vlakbij de Duits-Nederlandse grens, is mijn jaarlijkse decompressiepunt, waar ik eventjes een half uur voor mezelf neem om bij te komen van alle drukte van de afgelopen week. Daar, op een rode picknickbank, worden vaak al een paar verhalen uitgebroed. Over paradigmaverschuivingen in deze sector die ik al twintig jaar volg, en die me zo na aan het hart staat. Of tenminste over kleine seismische bibberingen daarin.

Commentaar toevoegen

Log in or to post comments