Zestienjarige bakvissen wandelden binnen en buiten alsof het een openbare bibliotheek betrof, terwijl ze hun prille borstjes iets te veel kijk op de wereld gunden en de wind nauwelijks weerstand ondervond van hun rokjes (nu ja, rokjes). Ik voelde me strafbaar, enkel door er nog maar naar te kijken, al leek die schurfterige Albanees daar hoegenaamd geen last van te hebben. Misschien omdat ie te druk in de weer was met het bloed vanonder mijn nagels vandaan te halen? Verbranden, dat is wat ze moeten doen met die vorte portiers. Hun lijven laten likken door verzengende vlammen en hun wanhoopskreten onthalen op hoongelach. Vorte kutportiers! Dik tegen mijn zin wandelde ik terug naar de auto, graaide mijn identiteitskaart uit de middenconsole en koos opnieuw positie aan het einde van de rij wachtenden. Wederom twintig minuten aanschuiven, de avond had nauwelijks beter van start kunnen gaan.
‘Was ik maar buiten gebleven,’ dacht ik bij mezelf, en ik had nog maar net mijn entree gemaakt. Ik had het allemaal al zo vaak gezien; steeds opnieuw datzelfde decor, steeds dezelfde personages. Hun namen veranderden wel, en ook het accent dat hun taal kruidde was niet altijd hetzelfde, maar uiteindelijk ging het toch altijd om diezelfde, bordkartonnen personages. Ik kon ze zo onderhand wel dromen. Vroegtijdig andere oorden opzoeken was vanavond evenwel niet aan de orde. Een persoonlijke uitnodiging van een oude vriend had me tot deze opkomst bewogen dus de beleefdheid gebood me om plaats te nemen aan de tafel die men speciaal voor ons had uitgedost. Ik schudde iedereen de hand, de dames incluis, en nam plaats in een zeteltje dat erg comfortabel aanvoelde. Meevaller.
Vanuit deze gerieflijke positie kon ik het ganse gebeuren overschouwen, en daarmee doel ik dan voornamelijk op de dansvloer die ingepalmd werd door brimstige zeugen en bronstige pannenkoeken die zich een dreef door de nacht stonden te stampen. Komen die pannenkoeken soms van de band gerold? Met hun modieuze, zijden hemdjes die steevast een maat te klein worden gekocht, om nog maar te zwijgen van die verwijfde sjaaltjes. Kasthomofilie op zijn best. En de zeugen, vaak het ijkpunt van vijfentwintig zomers nog niet bereikt en toch was het vet bij velen alreeds van de soep, al was een gebrek aan vet meestal niet het probleem. Wanhopig trachtten ze zich een plaats in de kijker te dartelen waarbij niet werd gekeken op een ontbloot stuk vlees meer of minder. De suggestieve bewegingen van buik, borsten en billen slorpten alle aandacht van de pannenkoeken op, alsof de zeugen een soort van levenselixer huisvestte. Clichés zijn geen clichés omdat ik dat zo wil, maar wel omdat er altijd iemand bereid wordt gevonden om ons er op tijd en stond aan te herinneren waarom dat karakteristieke kenmerk, die ene gedraging of expressie van eigenheid nu weeral als cliché werd bestempeld. Ach, ik zag er de humor wel van in, plezier putten uit ergernis had ik trouwens al een tijdje tot kunst verheven, een mens moet iets.
Een plaspauze diende zich aan. Ik begroette de toiletdame met een glimlach en twintig eurocent in de aanslag, het toilet begroette ik dan weer op zijn beurt met deugddoend vochtverlies. Knijp, knijp, knijp. Schud, schud. Floep! Riiiiiiiiits. Geluid van kolkend water.
Op mijn weg terug viel mijn oog op de tafel naast de onze. Niet de tafel an sich natuurlijk, die interesseerde me geen ene moer. Het was me te doen om de deernes die deze tafel sierden, stuk voor stuk goed voorzien van oren en poten. Meteen moest ik denken aan wat mijn opa zaliger me had verteld op zijn sterfbed. ‘Hoe donker de dagen ook mogen lijken, eens goed van bil gaan zal u steeds het nodige licht toereiken!’ En mijn opa zaliger, die kon het weten. Tijdens de zomer van 1942 hadden zijn twee jongere broertjes zich laten betrappen tijdens het smokkelen van een kilootje sacharine. En wat deed den Duits? Die naaiden de arme stakkertjes met hun ruggetjes aan elkaar, om ze vervolgens levend te begraven; hun hoofdjes neerwaarts gericht, hun voetjes uitpuilend aan de oppervlakte, turend over het erf, zoals kleine periscoopjes. Zowaar een knap staaltje Duitse Gründlichkeit. En mijn grootvader? Die sloot zijn dagboek ondanks alles af met een positieve noot. Want die dag had ie niet enkel zijn beide broertjes verloren, maar ook de dochter van de buren aan de overkant tussen haar benen beroerd, iets waarnaar hij al had uitgekeken sinds de dag dat ie zich zelfbewust waande. ‘Tijd heelt alle wonden mijne jongen, en seks is ne verdomd goede katalysator!’ Opa had gelijk.
Een glimlach kon ik dan ook nauwelijks onderdrukken toen ik de tafel vol loslopend wild aan mijn keurdersoog onderwierp. Minstens één van deze gazellen zou mijn tot dan toe behoorlijk saaie avond kleur gaan geven, ik had ze maar voor het uitkiezen. Het gemiddeld IQ aan deze tafel oversteeg op geen enkel moment dat van een nat bierviltje, spoedig zou dit bonte gezelschap dan ook als een stel tamme kippen uit mijn hand eten, elkeen strijdend om het beste plaatsje. Al snel viel mijn oog op een dame wiens borsten me al gans de tijd aankeken op een manier die zich nog het best laat omschrijven als zijnde zaadvragend. Haar achtersteven leek zich bovendien goed te lenen tot het betere duw –en trekwerk, en dat trof; meer dan ik vanavond warm te maken was voor glad en steriel bochtenwerk kreeg ik zin in ouderwets kletteren op onverharde wegen. De dame in kwestie liet zich de extra aandacht alvast welgevallen en alles leek dan ook netjes volgens plan te gaan verlopen.