Turijn, anno 1889. De filosoof Friedrich Nietzsche is op straat getuige van de mishandeling van een paard door zijn meester. De koetsier slaat woestig met zijn zweep omdat het dier niet vooruit wil. Geschokt door wat hij ziet, slaat Nietzsche al huilend zijn armen om het paard om het te beschermen. Twee dagen na dit incident zal Nietzsche zijn laatste wooden “Mutter, ich bin dumm” zeggen en gaat zijn mentale gezondheid er op achteruit todat hij tien jaar later sterft. Wat er met het paard gebeurd is, weten we niet.
Met deze vertelling open The Turin Horse, de zwanenzang van een van de grootmeesters van de moderne cinema. Na meer dan dertig jaar contemplatieve cinema heeft de Hongaarse regisseur Béla Tarr besloten andere artistieke paden te verkennen. Zijn laatste film is dan ook een waar huzarenstuk geworden, waarin hij de zwaarheid van het menselijke bestaan tracht te vatten. Hoe moeilijk het is om je dagdagelijkse leven te leiden en hoe monotoon dit leven is.
Om dit te bereiken, geeft Tarr ons gedurende meer dan twee uur een blik op zes dagen in het leven van een koetsier en zijn dochter. Of het hier gaat om diezelfde koetsier als die in het verhaal van Nietzsche is niet duidelijk, want gedurende heel de film is Tarr bijzonder scharig met de informatie. Bovendien maakt hij frequent gebruik van temps mort, is hun woning gesitueerd in een kaal landschap en blijven de paar personen die ze tegenkomen ook vaag tijdens hun interacties. Op deze manier creëert de regisseur een extreme vorm van abstrahering om zijn ideeën in te kaderen en zo een metaforische betekenis op te roepen.
Als kijker onderga je net als de hoofdpersonages de pijnlijke banaliteit van hun dagelijkse leven. Door middel van niet meer dan 30 extreem uitgerokken shots, legt Tarr hun ritualiserende en gestructureerde monotone taken vast zoals de man die aangekleed wordt door zijn dochter, hoe hij elke morgen zijn twee glazen whiskey drinkt, hoe zij water gaat halen in de waterput en het eten voorbereidt dat ze samen opeten, waarna hij voor het raam gaat zitten uitstaren. Een treffende gelijkenis met Chantal Ackerman’s meesterwerk Jeanne Dielman, 23 Quai du Commerce, 1080 Bruxelles.
Met deze film deelt The Turin Horse ook de desintegratie van deze structuren en de neerwaartse spiraal waarin de personages terechtkomen. Alleen krijgen deze hier een onheilspellende, haast apocalyptische betekenis, een thematiek die je ook terugvindt in andere films van Béla Tarr zoals Werckmeister Harmonies of Damnation. In de film vertaal zich dit naar het huilen van de onophoudelijke wind, de onheilspellende woorden van een bezoeker, de komst van zigeuners die de dochter een anti-Bijbel geven, het verdwijnen van het water in de put, het licht dat verdwijnt op de vijfde dag. Gedurende de zes dagen toont Tarr de progressieve desintegratie van de wereld tot in het niets, een antithese van de creatie van de wereld in zes dagen.
Door het gebruik van zulke long takes en slechts één melancholische en dreigende muziekcompositie, krijgt de film haast iets bezwerend. De film kruipt tergend langzaamaan onder je huid en blijft dagenlang rondspoken in je hoofd. Niet alleen de bijzondere opzet van het verhaal is hiervoor verantwoordelijk, maar ook de adembenemende zwart-wit fotografie. Bovendien lijkt Tarr voor zijn visuele stijl en composities inspiratie te putten uit de schilderkunst, of het nu gaat om
Caravaggio,
Van Gogh,
Mantegna of
Rembrandt. Vooral licht en een visuele iconografie spelen een belangrijke rol in de film, zeker gezien de schaarste van de dialogen, die vooral tussen vader en dochter spijtig genoeg te steriel en onnatuurlijk aanvoelen. Al mist de film soms de impact en schoonheid van bijvoorbeeld Satantango of Werckmeister Harmonies, met The Turin Horse geeft Béla Tarr ons een meer dan waardig afscheid.