Biobrandstoffen in België
by , 11 december 2008 at 22:28 (2139 Bekeken)
Vooraf
Onlangs werd mij gevraagd de reden achter de belabberde situatie van biobrandstoffen voor automotieve toepassingen in België na te gaan. Terwijl in de meeste andere Europese landen er al heel wat liters van de biologische brandstoffen door de pomp passeren is België goed op weg de slechtste leerling van de klas te worden, en dit terwijl Europa net wil dat we tegen 2010 minstens 5,75% bio rijden.
De reden bleek tweeledig te zijn. Het tekstje hieronder is gecompileerd uit verschillende bronnen en beschrijft kort de Belgische problematiek. We gaan hier evenwel niet verder in over de zin of onzin van biobrandstoffen. Het volstaat aan te halen dat er zich een groeiende consensus vormt dat biobrandstoffen van de eerste generatie, die uit zetmeel gewonnen worden, niet voldoen aan de gewenste duurzaamheidscriteria. Daarenboven staan ze in rechtstreekse concurrentie met voedsel, iets wat ondanks de lobbypogingen van bedrijven zoals Abengoa Bioenergy en de Malasian Palm Oil Council (die onlangs nog tot slechtste lobbyisten van 2008 werden uitgeroepen), op het beleidsniveau al algemeen ingang gevonden heeft.
Algemeen wordt dan ook aangenomen dat de toekomst van biobrandstoffen bij de tweede generatie ligt: brandstoffen op basis van cellulose die uit non-food planten gewonnen wordt. Deze planten, zoals snelgroeiende populieren of olifantengras, staan niet in concurrentie met voedsel en kunnen op arme gronden gekweekt worden, wat de duurzaamheid ervan immens omhoog krikt. Op deze biobrandstoffen is het echter nog enige jaren wachten.
Biobrandstof in België
Een kort onderzoek naar de oorzaak van het falende biobrandstoffenbeleid.
Biodiesel
Al in 2001 keurde de Europese Commissie een richtlijn goed die het gebruik van 5,75% biobrandstof voor transporttoepassingen tegen 2010 beoogt. Vandaag de dag zit er amper meer dan 1% biobrandstof in de Belgische diesel en benzine. Nochtans zijn er de afgelopen jaren vier grote biodieselfabrieken gebouwd (Bioro in de Gentse haven, Oleon in Ertvelde, Proviron in Oostende en Neochim in Feluy) die zes jaar lang een deel van hun productie fiscaal vrij mogen aanbieden, tot een gecombineerd maximum van 286 miljoen liter per jaar.
Toch draaien de biodieselfabrieken gemiddeld slechts op 40% van hun totale capaciteit, en dan nog omdat twee fabrikanten een Frans contract in de wacht hebben kunnen slepen. Slechts 25% van de in België fiscaal voordelige biodieselquota is opgekocht. Enkel Total, Jet en de onafhankelijke verdeler Van Der Sluys bieden de milieuvriendelijke diesel aan.
Volgens de fabrikanten is de mislukking van biodiesel in België te wijten aan de onwil van de fabrikanten om biobrandstoffen te mengen en aan het niet-dwingende beleid dat de Belgische overheid hanteert. Het fiscaal gunstige tarief is voor hen niet voldoende en de fabrikanten, verenigd in de Belgian Biodiesel Board, zouden dan ook liever zien dat de regering de brandstofverdelers een minimumhoeveelheid aan biobrandstof oplegt, zoals ook in andere Europese naties gebeurt. De Board stelt voor om zoals in Frankrijk te werken met een vermijdbare heffing. Wie onvoldoende biobrandstoffen vermengt in diesel, krijgt een heffing opgelegd.
Biobenzine
Wat biobenzine betreft is de situatie in België zo mogelijk nog schrijnender. Het Franse Total is de enige die de biobrandstof in België verdeelt en dit nog maar sinds juli. Totals mengsel bestaat voor 93% uit traditionele brandstof en 7% uit bio-ethanol, gewonnen uit graan. Total introduceerde de biobenzine geruisloos: er wordt niet geafficheerd dat de automobilist op biobrandstof rijdt.
Total ziet twee problemen met biobrandstoffen, respectievelijk met biodiesel en biobenzine, in België. Allereerst is er de mindere kwaliteit van de in België aangemaakte biologische diesel. Volgens de brandstofverdeler is dit te wijten aan technische tekortkomingen aan de processen en installaties van de Belgische producenten. De Belgische biodiesel heeft ook een te hoog prijskaartje, zo hoog dat het fiscaal voordeel teniet gedaan wordt. Volgens Total is de kritiek van de biobrandstoffenmakers over de onwil van de oliemaatschappijen om biodiesel te mengen totaal onterecht.
Wat biobenzine betreft is de Belgische overheid volgens Total te gul geweest met het uitdelen van fiscaal voordelige productiequota. De drie Belgische bio-ethanolmakers mogen jaarlijks 250 miljoen liter verkopen tegen een fiscaal gunsttarief. Volgens Total is er slechts 100 miljoen liter nodig om het volledige Belgische benzinewagenpark op de biobrandstof te doen rijden.
Total laat ook nog weten dat de kwaliteit van de Belgische bio-ethanol wel voldoet. (Total lanceert biobenzine in België, 2008)
Grondstoffen
De situatie voor biobrandstoffabrikanten ziet er op korte termijn niet rooskleurig uit. Bij ongewijzigd beleid zullen de installaties nooit hun beoogde capaciteit halen.
Daarenboven is de voorbije twee jaar de prijs van landbouwproducten die als grondstof dienen voor biobrandstoffen (graan voor bio-ethanol, koolzaad voor biodiesel) zeer onstabiel gebleken. Daardoor zijn de accurate winstvoorspellingen moeilijk, wat het aantrekken van investeerders hypothekeert. Producenten van biobrandstof hebben gigantische hoeveelheden van deze grondstoffen nodig. Voor Bioro bijvoorbeeld is dat jaarlijks 600.000ton koolzaad, terwijl er in België nauwelijks 50.000ton geteeld wordt.
Ook worden de eerste generatie biobrandstoffen, die nauwelijks drie jaar geleden als wondermiddel werden binnengehaald, nu verketterd. Alarmerende rapporten over hun invloed op de voedselprijs en de hieraan gekoppelde hongersnoodproblematiek in ontwikkelingslanden hebben de publieke opinie in de andere richting doen doorslaan. Ook de milieuschade, vooral door de productie van palmolie, doet veel van het groene karakter van de brandstoffen teniet. In 2008 heeft de EU dan ook aangekondigd hun biobrandstofrichtlijn te koppelen met 'duurzaamheidsfactoren'.
Ondertussen is de Belgische biodieselfabrikant Oleon in Ertvelde al opgekocht door Diester Industrie, de biodieseldivisie van Proleo, een grote Franse coöperatieve groep die zich vooral toelegt op de verwerking van koolzaadopbrengst van de Franse boeren.
Conclusie
De mislukking van biobrandstoffen, en dan vooral biodiesel, lijkt tweeledig. Aan de ene kant is er de te losse overheidsregulatie die brandstofverdelers niet verplicht biobrandstof te mengen maar enkel aanmoedigt. Hierdoor is er weinig incentive om biobrandstof aan te kopen.
Aan de andere kant is er de dure en door kwaliteitsproblemen geplaagde Belgische biodiesel. De meerprijs hiervan doet het fiscale voordeel teniet. Ook kan een brandstofverdeler het zich niet permitteren brandstof van mindere kwaliteit te verhandelen.
Om biobrandstoffen te laten slagen zal er dus wellicht zowel een bijgesteld overheidsbeleid als een inspanning van de biobrandstoffabrikanten nodig zijn.
Deze tekst verscheen oorspronkelijk op http://blog.epyon.be, de officiële blog van de auteur.
Reacties
Trackback-signaleringen
Totaal aantal trackback-signaleringen 0
Trackback-link:




