RSS-feed bekijken

Kortromans van die eikel

De boom op de heuvel -- Hoofdstuk 2 (versie 1.0)

Dit artikel waarderen
by , 22 december 2009 at 15:46 (1080 Bekeken)
[B]HOOFSTUK II[/B]

Uhme zit rustig in de hoek van grot, met een dode hert tussen haar benen. Ze tuurt rustig om haar heen als ze de met een scherpe steen de huid en vacht van het dier probeert los te krijgen. Het ging niet zo gemakkelijk als vroeger met die nu toch wel heel dikke buik van haar. Ze begreep niet goed waarom ze die dikke buik had. Ze had nochtans vroeger Moeder, toen ze nog leefde, veel vaker met een zwangerschap gezien, maar Uhme begreep gewoonweg niet waarom zij en haar moeder soms zo’n lastige bewegende dikke buik hadden. Ze tuurt rond en bekijkt de twee andere vrouwen. Die ene met bruin haar waar Ogeh nooit naar om kijkt en die blonde trut die haar altijd maar meer dieren kwam geven om te ontvellen zodat die smerige blondine en Baas Ogeh in dikke pelsen konden rondwandelen. Uhme zou ook graag zo’n pels hebben, maar Baas Ogeh had al haar mooie vachten weggenomen toen hij haar te grote ronde buik zag. Uhme was ziek volgens Ogeh, en om de rest van de stam te beschermen had hij al eerder zitten nadenken om haar weg te sturen, maar iets in hem kreeg het niet over zijn hart. Ze ontvelt en tuurt. Haar ogen krabben al snel over Ogeh’s bruine gespierde borstkas. Waarom kroop hij niet meer op haar en steeds op die vieze stinkende blondine, die bovendien het ook niet kon laten om haar behoefte te doen eender waar ze stond. Moeder had Uhme immers geleerd om dat enkel buiten de grot te doen achter een struik, maar neen, niet die vieze stinkende blondine die de urine gewoon tussen haar eigen benen liet neerstromen.

Ze zucht en staart verder naar Ogeh’s ribbenkas en behaarde tepels, waartussen de met gekleurde veren en stenen versierde schedel van Ahmeha hangt. Die had Uhme toen nog moeten ontvellen en schoonmaken voor hem. Het is de mooiste ketting die ze ooit gemaakt had. Uhme vond Ahmeha toen hij nog leefde best wel de lekkerste kerel van de stam, daarom dat ze in haar jaloerse bui op hem gekropen was die avond. Ook al was ze teleurgesteld om te ontdekken dat Ahmeha, net zoals die blonde del en Ogeh, ook niet geleerd had om zindelijk te zijn en snel een paar witte spurten urineerde toen ze in zijn schoot zat. Ahmeha was nochtans wel een knappe kerel en het maakte Ogeh dan ook alleen maar aantrekkelijker door zijn schedel als versiering te dragen. Ahmeha was de tweede man, buiten Egma, waarmee ze al een intiem moment heeft gehad dat niet met Ogeh was, en daarvoor besloot ze zichzelf te straffen en de allermooiste steen die ze ooit gezien had tussen de ogen van Ahmeha’s schedel te plaatsen, een witgloeiende kristal die ze na die nacht met Egma alleen in het bos tussen haar vingers gevonden had. Het was haar eerste kleine moment van bezinning en trouw om nooit nog een andere man buiten Ogeh lief te hebben. Nu dat Ogeh blijkbaar geen zin meer had om haar ook maar enige vorm van aandacht te gunnen, moest Uhme steeds vaker aan Egma denken. Egma is best ook wel aantrekkelijk, hij is altijd een beetje speciaal voor haar geweest sinds hij haar aanraakte in het bos en haar die nacht warm hield tot de volgende ochtend. Misschien als Uhme van Egma een ketting maakte, zoals Ahmeha, dat Ogeh haar terug opnieuw zal belonen met wat intieme aandacht. Maar dan zou Egma moeten sterven … en iets vertelde haar dat dat misschien niet mocht, maar hoe kon ze dan ooit Ogeh terugkrijgen? Ze was zo droevig van jaloezie? Vragen over haar leven, over Ogeh, over eender wat werden steeds frequenter en moeilijk. Allemaal sinds die ene nacht in het bos met Egma. Sinds die nacht dat ze het witte kristal vond.

Ogeh voelt zich goed! Ogeh is sterk! Hij krabt een beetje tussen zijn benen terwijl zijn blondine, Esth, zich strak tegen hem aanduwt. Hij kijkt ook uit de hoek van zijn ogen naar Uhme die haar pelsenwerk doet zoals altijd, en blijkbaar naar zijn mooie Ahmeha ketting aan het staren is. Spijtig dat ze zo’n vreemde buik heeft, anders had Ogeh best wel zin om haar zoals vroeger nog eens regelmatig rond de grot te rijden. Vrouwen! Vrouwen! Liefde! Wat zijn die andere mannen in zijn stam toch een bende nietsnutten, die jagen en vechten maar, maar ze hebben nog nooit een vrouw gehad! Ogeh kan zich geen dag inbeelden zonder vrouw, en besluit dat die andere mannen daardoor niet even sterk en lief zijn als hem, want anders zouden ze een vrouw willen en Ogeh is heel sterk en lief, vindt Ogeh zelf. Hij zucht terwijl hij Esth over het hoofd streelt, brult wat willekeurige klanken door de grot om duidelijk te maken hoe sterk hij is en gooit een tak naar de dichstbijzijnde willekeurige kerel. De ongelukkige jongeman gilt een angstkreet en loopt uit de grot alsof zijn leven ervan afhangt. Ogeh moet lachen, gillende mannen moet het grappigste zijn dat er bestaat, maar hij beseft goed genoeg dat hij nooit nog een ziel geweld zal aandoen, niet meer sinds hij die ketting van Uhme gekregen had. Het was zijn plicht sterk te zijn voor iedereen en iedereen van zijn stam te beschermen! Zijn vingers glijden heen en weer tussen Esth’s haarlokken terwijl hij rustig indut. De helderwitte schittering van de kristal in zijn ketting laat een warm deken van vredesrust neerdalen in de grot, terwijl eenieder van zijn leven geniet, ongeacht zijn of haar stand in de stam. Behalve Uhme en Egma’s in wiens hoofden enkel de schrille pijn van liefde’s wrede tweelingzuster, jaloezie, weerklinkt.


Het is ondertussen alweer nacht geworden. De geluiden van vreemde dieren en insecten komen tot leven onder de heldere sterrenhemel. Egma ligt bovenop de heuvel, naast de boom en kijkt weermaals naar de hemel. Hij heeft geen zin meer om nog terug naar de grot van zijn stam te gaan. Hij kan het niet meer verdragen om de liefde van zijn leven in eigendom van een andere man te zien. Elke haar op zijn hoofd weet gewoon dat Uhme bij hemt hoort, en die tweede fluisterende persoon, die andere Egma, hijzelf tussen zijn oren, weet dat ook. Gans de nacht ligt hij opnieuw wakker, starend naar de fonkelende sterren zoals toen die ene nacht met Uhme die hij nooit nog zal kunnen vergeten, zeker nu niet meer nu zijn herinneringen en geheugen steeds duidelijker en complexer worden. Maar ditmaal zijn ziel vervult met haat en jaloezie. “Uhme, Uhme,” … fluistert hij tussen zijn lippen. In zijn hoofd beginnen steeds meer klanken en gevoelens te veranderen in woorden met hun eigen unieke betekenis. Een unieke klank voor elk woord en gevoel dat in hem opkomt als hij aan dat lieve zwartharige meisje moet denken dat voor iedereen in het kamp pelsen en kettingen maakt, sinds Moeder besloot haar laatste diepste slaap te nemen.
“Uhme… li-eff… Uh-me mooi…” een woord voor elk gevoel dat hij kan bedenken voor dat zwartharige mirakel. Volle zwarte haren die als een dikke pels over haar schouders neervallen. Kettingen gemaakt van steentjes, konijnenbeenderen en kleurrijke vogelveren die haar polsen en enkels versieren. Bosbessensap dat haar bovenste oogleden een mooie blauwe kleur gaven en vogelbloed dat haar puitende lippen feller dan het dikste stuk konijnenvlees kleurde. Als Moeder of Ughm er nog was, dan zou hij nu wel bij die wondermooie Uhme kunnen zijn. Dan lagen haar warme bruine billen nu op de zijne en konden zijn lippen haar rug bedekken met liefde. Haar dikke naakte ronde buik maakte haar enkel maar mooier.
Ongeacht de leegte in zijn hart en zijn door de buitenlucht bevriezende tenen valt Egma in slaap. De tranen tussen zijn oogleden reeds weggedroogd door de kille wind.

[I]“Een kil zwarte landschap strekt uit van de bergen tot de zee. Grijze bladerloze bomen steken als pillaren uit het zwarte zand en zijn het enigste dat voor het oog opvalt in dit koude mistige landschap. Egma waadt met veel moeite door het zwarte moerassige zand. Elke stap die hij neemt trekt hem dieper de grond in tot hij uit paniek één van de verrotte bomen vastgrijpt om zich op te trekken. De wortels van de dode boom worden één voor één uit de grond getrokken wanneer Egma zich optrekt, en voor een moment vreest Egma dan ook dat hij gewoon mee de boom in het moerassige water aan het trekken is, maar met veel geluk en moeite kan hij toch terug op de vaste landbodem kruipen voordat de boom volledig in het water valt.

Hij wrijft zijn handen over zijn benen om de modder van zijn met zilverdraad versierde zwarte satijnen broek te krijgen. Een paniekerige blik over het morbide landschap rondom hem vertelt hem dat de grond bezaait is met skeletten en ontbindende ledematen. Een tiental meter verder merkt hij toch een verstevigde brede weg op en besluit deze enigste aanwijzing van enige beschaving van dichterbij te bekijken en te bewandelen, voordat hij weer in het moeras zou wegzakken. Het wegdek is versiert met afbeeldingen van schedels en geraamten, van volwassenen zoals hij, maar ook van allerlei diersoorten en kinderen. Vreemde schrille klanken en het gekraai van aasgieren die hem al vanaf het begin in de lucht volgen, zetten de toon voor de lange vruchteloze weg die Egma aflegt over dit luguber gedecoreerde wegdek. Zijn aandacht zinkt weg in het moeras terwijl hoe stap voor stap blijft verder zetten, zoekend naar zijn Uhme.

Een gevoel van bekeken en gevolgd te worden groeit sterker met elke minuut die hij in dit vergeten moerasgebied doorbrengt. De ogen van de schedels in het wegdek lijken hem nauwlettend te volgen, evenals de klank van ritselende beenderen die steeds van dichterbij de achtervolging inzet. Totdat dit geritsel plotseling stopt en Egma voor hem de figuur van een imposante dame ziet.

Haar spierwitte haren, stijler en langer dan de dode bomen in het moeras, rijkend van haar hoofd tot aan haar knieën. Haar naakte lange en grijze benen versiert met strak zwart leder en gewitte botten van slachtoffers die in hun dood nog steeds kreten van angst gilden, in detail bezet met zwarte edelstenen. Ze kijkt neer op hem, in een puur fysieke manier, daar ze bijna 5 koppen groter is als hem. Haar meest opvallende kenmerken, buiten haar lange haar, zijn haar verleidelijke vrouwlijke rondingen, amper bedekt met ledere riemen en een zwarte majestueuze mantel. Egma had nog nooit dergelijke ultieme vorm van vleeselijke schoonheid gezien en zijn zwarte satijnen broek kon dit niet verbergen. De lange grijze vrouw-elf vlak voor hem bleek hiermee uiterst geamuseerd te zijn, daar ze genoegzaam glimlachte en haar warme lichaam langzaam tegen hem aandrukte. Voordat ze hem dwangmatig bekroop voor de rest van de nacht…”[/I]

Egma schiet wakker, zijn voorhoofd badend in het zweet en enkele centimeters sneeuw na een droom die zo levensecht leek, dat hij zou durven zweren dat hij werkelijk voor het eerst met een vrouw heeft kunnen doen wat hij altijd wou. Hij kan duidelijk de diepe littekens van de lange zwarte nagels nog op zijn schouders zien en voelen, evenals de smaak van haar opdringerige tong tussen zijn lippen. Hij wrijft de laag sneeuw van zijn kilt en naakte bovenlichaam en besluit terug naar de grot van zijn stam te gaan. “Nachten buiten de grot lijk je altijd de vreemdste dingen mee te maken,” denkt hij, terwijl tijdens zijn terugwandeling zijn hersenen gefascineerd zijn door de vreemde stoffen kledij die hij aanhad in zijn droom en die warme grijze verzadigende huid die hem doorheen een vriezende nacht heeft warmgehouden. Zijn lichaam begint langzaam aan terug te rillen van de extreme koude en een snijdende pijn knijpt in zijn edele delen elke stap terug naar huis, niets vergeleken met het besef van de gedachte aan het dromelijke bedrog dat hij had gepleegd die nacht tegenover Uhme. Doch wist hij dat hij vanbinnen enkel maar haar liefhad en wat er ook die nacht in zijn droom gebeurd was met dat vreemd aantrekkelijke donkere elf-mens, geen liefde was, maar slechts pure fysieke verzadiging.

22 december 2009 gewijzigd om 15:52 door Anarchist12911

Labels: elfen, fantasie, seks
Categories
Zonder categorie

Reacties

  1. Crashtestdummy's schermafbeelding
    • |
    • permalink
  2. Anarchist12911's schermafbeelding
    • |
    • permalink
    Hoe kan ik anders literatuur neerpennen als ik me enkel maar mag beperken tot 3 alineas? :p
  3. Bahemath's schermafbeelding
    • |
    • permalink
    Ik vind het nogal raar, maar wel goed verwoord :p heb deel 1 en twee doorgelezen :p

    En euhm jah kweenie het heeft iets :p